ECLI:NL:GHDHA:2019:3402

door | 09/01/2020

ECLI:NL:GHDHA:2019:3402

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
17-12-2019
Datum publicatie
08-01-2020
Zaaknummer
BK-19/00427
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2019:5784, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende en haar (ex)partner bezitten in 2016 gezamenlijk (beiden voor 50%) een woning. Belanghebbende en haar (ex)partner komen in het kader van de scheiding overeen dat de lusten en lasten van de woning per 1 januari 2014 geheel aan belanghebbende worden toegerekend, onder de voorwaarde dat zij voor 1 januari 2017 laat blijken het aandeel van de (ex)partner in de woning te kunnen verwerven. In geschil is of belanghebbende per 1 januari 2014 het volledige economisch eigendom in de woning heeft verworven. Belanghebbende stelt dat dit het geval is nu de voornoemde voorwaarde een ontbindende voorwaarde betreft. De Inspecteur stelt daarentegen dat sprake is van een opschortende voorwaarde. Het gelijk is aan belanghebbende, de woning kwalificeert voor belanghebbende in het in geschil zijnde jaar geheel als eigen woning in de zin van artikel 3.111 van de Wet IB 2001. Voorts is in geschil of de gehele hypotheekschuld voor belanghebbende in 2016 kwalificeert als eigenwoningschuld. Het Hof oordeelt dat het deel van de schuld dat ziet op de verwerving van het belang van de (ex)partner een schuld betreft die na 1 januari 2013 bij belanghebbende is opgekomen en dient te voldoen aan de aflossingseis zoals opgenomen in artikel 3.119a van de Wet IB 2001. Nu niet in geschil is dat dit deel van de schuld daar in 2016 niet aan voldoet, valt dit deel van de schuld in box 3.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 08-01-2020
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-19/00427

Uitspraak van 17 december 2019

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Eindhoven, de Inspecteur,

(vertegenwoordigers: [A] en [B] )

op het hoger beroep van de Inspecteur tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 3 juni 2019, nummer SGR 18/7851.

Procesverloop

1.1.Aan belanghebbende is voor het jaar 2016 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 16.706 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 2.840 (de aanslag). Bij gelijktijdig gegeven beschikking heeft de Inspecteur € 51 aan belastingrente in rekening gebracht (de beschikking).

1.2.Belanghebbende heeft tegen de aanslag en de beschikking bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag en de beschikking gehandhaafd.

1.3.Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep is een griffierecht geheven van € 46. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de belastingaanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 12.855 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 2.840, de beschikking belastingrente dienovereenkomstig verminderd en de Inspecteur opgedragen het betaalde griffierecht van € 46 aan belanghebbende te vergoeden.

1.4.De Inspecteur is van de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. Voorafgaand aan de zitting heeft het Hof nog de volgende stukken ontvangen:

  • op 2 september 2019 van de zijde van de Inspecteur een aanvulling op het hoger beroepschrift;
  • op 9 september 2019 van de zijde van belanghebbende een aanvulling op het verweerschrift.
1.5.De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van 5 november 2019, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

2.1.De Rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld:

“Feiten

1. [In] 1995 is [belanghebbende] in algehele gemeenschap van goederen gehuwd met [C] ( [C] ). Op 18 augustus 1997 hebben [belanghebbende] en [C] de woning aan de [Y] te [Z] (de woning) verkregen. Op de woning rust een hypotheek.

2. [ Belanghebbende] en [C] hebben samen in de woning gewoond. In 2013 heeft [C] de woning verlaten en vanaf 2014 staat hij in de Basisregistratie Personen elders ingeschreven. [Belanghebbende] is in de woning blijven wonen.

3. Op 20 mei 2015 heeft [belanghebbende] een verzoek tot echtscheiding ingediend. De echtscheiding is op 3 augustus 2016 door de rechtbank uitgesproken. In de echtscheidingsbeschikking is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen (waarbij [belanghebbende] als “de vrouw”, [C] als “de man” en [belanghebbende] en [C] gezamenlijk als “partijen” zijn aangeduid):

“Peildata

Partijen zijn het er over eens dat 1 januari 2014 heeft te gelden als peildatum voor zowel de omvang van de huwelijksgemeenschap als ook voor de waardering van de vermogensbestanddelen.

(…)

Echtelijke woning

Partijen hebben de waarde van [de woning] op de peildatum bepaald op een bedrag van € 366.000,- [De woning] en de daarop rustende hypotheek zal aan de vrouw worden toebedeeld onder betaling van een uitkoopbedrag aan de man, bestaande uit voornoemde waarde minus de hypotheek voor een bedrag van € 242.717,-

De vrouw neemt, zoals zij tot op heden heeft gedaan, alle lasten van de woning voor haar rekening vanaf 1 januari 2014 tot de overdracht. Voor zover de vrouw in het kader van de verdeling en de overname van de woning enig bedrag aan de man dient te voldoen zal zij dit voor 1 januari 2017 doen. Indien blijkt dat de vrouw de woning niet kan overnemen op haar naam per 1 januari 2017 en de man derhalve niet zal worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de hypotheekschuld dan zal de woning onderhands worden verkocht aan een derde en zal de opbrengst minus de kosten van de verkoop bij helfte worden gedeeld. (…).”

4. [ Belanghebbende] had gedurende 2016 geen fiscale partner. Zij heeft in 2016 100% van de ter zake van de woning verschuldigde hypotheekrente betaald.

5. Bij akte van 19 januari 2017 heeft [belanghebbende] de volledige eigendom van de woning verkregen.

6. Op 24 april 2017 heeft [belanghebbende] aangifte IB/PVV voor het jaar 2016 ingediend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 12.855 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 2.760. Bij het bepalen van het belastbaar inkomen uit werk en woning is de woning voor 100% als eigen woning aan [belanghebbende] toegerekend. De voordelen uit eigen woning bedragen € 2.977 en de op die voordelen drukkende aftrekbare kosten € 11.034 (€ 10.680 hypotheekrente + € 354 kosten van geldleningen), zodat de aangegeven belastbare inkomsten uit eigen woning € 8.057 negatief bedragen.

7. Met dagtekening 14 april 2018 heeft [de Inspecteur] een aanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 16.706 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 2.840. Bij de vaststelling van de belastbare inkomsten uit eigen woning is de woning voor 50% aan [belanghebbende] toegerekend. De in rekening gebrachte belastingrente bedraagt € 51.”

2.2.Het Hof neemt de feitenvaststelling van de Rechtbank over en vult deze als volgt aan.

2.3.1.Belanghebbende en haar ex-partner zijn ter verwerving van de woning in 1997 een aflossingsvrije hypotheekschuld aangegaan. De schuld bedroeg ultimo 2016 € 242.717, waarvoor beiden hoofdelijk aansprakelijk waren.

2.3.2.In januari 2017 heeft belanghebbende haar ex-partner uitgekocht, waarbij de ex-partner door de hypotheekverstrekker is ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. De hypotheekschuld staat sindsdien geheel op naam van belanghebbende en is opgebouwd uit twee delen: (1) de schuld die reeds aan belanghebbende toekwam, zijnde, nu belanghebbende en haar ex-partner in algehele gemeenschap van goederen waren getrouwd, de helft van de onder 2.3.1 genoemde hypotheekschuld en (2) het deel van de schuld dat ziet op het uitkopen van de ex-partner van belanghebbende. Het deel van de schuld genoemd onder (1) is aflossingsvrij, het deel genoemd onder (2) betreft een annuïtaire aflossingsvorm waarbij de schuld in dertig jaar geheel wordt afgelost.

2.4.Belanghebbende en haar ex-partner zijn bij de scheiding geen alimentatieregeling/onderhoudsverplichting jegens elkaar overeengekomen.

Oordeel van de Rechtbank

De Rechtbank heeft, voor zover thans van belang, het volgende overwogen:

“(…)

11. Ingevolge artikel 3.110 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) zijn belastbare inkomsten uit eigen woning de voordelen uit eigen woning verminderd met de op die voordelen drukkende aftrekbare kosten. Het begrip “eigen woning” is omschreven in artikel 3.111, eerste lid van de Wet IB 2001. Dit artikellid luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

‘In deze afdeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder eigen woning: een gebouw (…), of een gedeelte van een gebouw, (…), met de daartoe behorende aanhorigheden, voorzover dat de belastingplichtige of personen die behoren tot zijn huishouden anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat op grond van:

a. eigendom, waaronder begrepen economische eigendom, (…), indien met betrekking tot die woning de belastingplichtige (…) de voordelen geniet, de kosten en lasten op de belastingplichtige (…) drukken en de waardeverandering de belastingplichtige (…) grotendeels aangaat.

(…).’

12. In de wetsgeschiedenis is ter zake van het begrip “eigen woning” het volgende opgenomen:

“In het voorgestelde artikel 3.6.2 (rechtbank: het huidige artikel 3.111), eerste lid , onderdeel a, wordt de woning die in economisch eigendom wordt gehouden in bepaalde omstandigheden aangemerkt als een eigen woning. Het begrip economisch eigendom dient hierbij volgens de gangbare juridische definitie te worden geïnterpreteerd. Doel van deze gelijkstelling is om ook gevallen waarin de belastingplichtige alle risico’s loopt en kosten voor zijn rekening neemt doch niet de juridische eigendom heeft, onder de eigenwoningregeling te brengen. Hierbij kan gedacht worden aan een woning op erfpachtgrond of een appartementsrecht van een woning.

Daarnaast is in onderdeel a van artikel 3.6.2 (rechtbank: het huidige artikel 3.111 ) voor alle soorten eigendom een aanvullende voorwaarde opgenomen inzake de mate waarin de waardeverandering de belastingplichtige aangaat. Deze voorwaarde houdt in dat de waardeverandering de belastingplichtige grotendeels moet aangaan. Genoemde voorwaarde is in lijn met het Besluit van 4 maart 1999, nr. DB99/669, waarin wordt aangegeven dat – kort gezegd – voor de toepassing van de eigenwoningregeling in voldoende mate sprake moet zijn van belang bij de waardeontwikkeling van de gehele woning. De uitzonderingssituaties die in dit besluit zijn opgenomen, gelden eveneens onder de voorgestelde wetgeving.”

Kamerstukken II 1999/2000, 26 727, nr. 7, p. 191-192.

13. Uit het bepaalde in de echtscheidingsbeschikking volgt dat de waardeverandering van de woning vanaf 1 januari 2014 volledig voor rekening en risico van [belanghebbende] komt, behoudens in de situatie dat [belanghebbende] de woning per 1 januari 2017 niet zou kunnen overnemen. Deze situatie heeft zich echter niet voorgedaan. Daarnaast is in de echtscheidingsbeschikking bepaald dat [belanghebbende] vanaf 1 januari 2014 alle lasten van de woning voor haar rekening neemt, hetgeen in praktijk ook is gebeurd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [belanghebbende] met ingang van 1 januari 2014 dan ook de volledige economische eigendom van de woning in de zin van artikel 3.111, eerste lid, van de Wet IB 2001 en dient bij de vaststelling van de belastbare inkomsten uit eigen woning de woning voor 100% aan [belanghebbende] te worden toegerekend. De omstandigheid dat [belanghebbende] gedurende het jaar 2016 slechts voor 50% juridisch eigenaar van de woning was, doet daar niet aan af.

14. Gelet op wat hiervoor is overwogen dient het beroep gegrond te worden verklaard en zal de rechtbank de aanslag IB/PVV voor het jaar 2016 verminderen tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 12.855 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 2.840.

15. [ Belanghebbende] heeft geen afzonderlijke beroepsgronden aangevoerd die verband houden met de in rekening gebrachte belastingrente. Dat in strijd met enige regel van geschreven of ongeschreven recht rente in rekening is gebracht, is gesteld noch gebleken. Wel dient de belastingrente overeenkomstig de vermindering van de aanslag te worden verminderd.

(…)”

Omschrijving geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.1.Tussen partijen is in geschil of de belastbare inkomsten uit de eigen woning juist zijn vastgesteld. Meer specifiek is in geschil of belanghebbende in het onderhavige jaar economisch eigenaar was van de gehele woning en, indien dit het geval is, of de gehele hypotheekschuld in 2016 kwalificeert als eigenwoningschuld als bedoeld in artikel 3.119a van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 (de Wet IB).

4.1.2.Niet in geschil is dat belanghebbende in 2016 in ieder geval voor de helft economisch en juridisch eigenaar van de woning was. Voorts is niet in geschil dat de hypotheekschuld omtrent dit belang kwalificeert als eigenwoningschuld en dat de daarover in 2016 door belanghebbende betaalde rente in het onderhavige jaar aftrekbaar is in box 1. Tot slot is niet in geschil dat de over 2016 verschuldigde rente inzake de gehele hypotheekschuld is voldaan door belanghebbende.

4.2.Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4.3.De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

Economisch eigendom

5.1.Partijen houdt in de eerste plaats verdeeld het antwoord op de vraag hoe het in de onder 2.1 vermelde echtscheidingsbeschikking opgenomen beding (“Indien blijkt dat … van de hypotheekschuld”) dient te worden gekwalificeerd. Belanghebbende stelt dat het een ontbindende voorwaarde betreft, de Inspecteur stelt daarentegen dat sprake is van een opschortende voorwaarde.

5.2.1.Het Hof overweegt dat de obligatoire overeenkomst tussen belanghebbende en haar ex-partner, inhoudende dat (1) de lasten en lusten van de gehele woning per 1 januari 2014 aan belanghebbende toekomen en (2) zij daarvoor een bedrag aan de ex-partner betaalt van € 366.000 minus de hypotheek voor een bedrag van € 242.717, schriftelijk is vastgelegd in de beschikking van de Rechtbank van 3 augustus 2016 en reeds eerder mondeling tussen belanghebbende en haar ex-partner tot stand is gekomen.

5.2.2.Ingevolge artikel 6:21 van het Burgerlijk Wetboek is een verbintenis voorwaardelijk wanneer bij rechtshandeling haar werking van een toekomstige onzekere gebeurtenis afhankelijk is gesteld. De toekomstige onzekere gebeurtenis betreft in het onderhavige geval dat op basis van de overeenkomst voor 1 januari 2017 dient te blijken dat belanghebbende de woning op haar naam kan overnemen per voornoemde datum. Indien dit niet het geval mocht zijn, zal de woning onderhands aan een derde worden verkocht en zal de opbrengst minus de kosten van de verkoop bij helfte worden gedeeld.

5.2.3.Een opschortende voorwaarde doet de werking van de verbintenis eerst met het plaatsvinden van de gebeurtenis aanvangen; een ontbindende voorwaarde doet de verbintenis met het plaatsvinden van de gebeurtenis vervallen (artikel 6:22 van het Burgerlijk Wetboek). Gelet op de onder 5.1 vermelde tekst van de overeenkomst, de bedoeling van partijen – belanghebbende heeft ter zitting verklaard dat het beding enkel is opgenomen als stok achter de deur voor belanghebbende om haar ex-partner uit te kopen en dat de verkoop van de woning aan een derde nooit een serieuze optie is geweest – en het feit dat belanghebbende en haar ex-partner reeds vanaf 1 januari 2014 naar het beding hebben gehandeld – niet in geschil is immers dat belanghebbende vanaf 1 januari 2014 daadwerkelijk alle lasten (waaronder de hypotheekrente) heeft voldaan – kan naar het oordeel van het Hof niet anders worden geconcludeerd dan dat sprake is van een verbintenis onder ontbindende voorwaarde. De verbintenis tot het toerekenen van de lasten van de gehele woning aan belanghebbende krijgt daarmee vanaf 1 januari 2014 haar werking. Ditzelfde geldt voor de lusten van de woning. De koopsom die belanghebbende betaalt ter verwerving van het aandeel van haar ex-partner in de woning is immers gebaseerd op de door partijen vastgestelde waarde van de woning op 1 januari 2014. Dit impliceert dat de waardeverandering na deze datum geheel aan belanghebbende toekomt, mits voor 1 januari 2017 blijkt dat belanghebbende de woning op haar naam kan overnemen per voornoemde datum. De woning is uiteindelijk op 19 januari 2017 geheel door belanghebbende verworven, waarbij, zoals onweersproken door belanghebbende is gesteld, reeds in december 2016 duidelijk werd dat belanghebbende bij machte was het belang van de ex-partner over te nemen, maar het niet mogelijk was de formaliteiten in diezelfde maand af te ronden.

5.3.Nu de ontbindende voorwaarde zich niet in 2016, dan wel eerder, heeft voorgedaan, heeft belanghebbende per 1 januari 2014 het 50%-belang van de ex-partner in het economisch eigendom van de woning verworven en was belanghebbende daarmee ook in 2016 economisch eigenaar van de gehele woning. In het jaar 2016 drukten op basis van de overeenkomst tussen belanghebbende en haar ex-partner immers alle lasten op belanghebbende, alsmede kwamen alle lusten, zoals de waardeverandering, belanghebbende geheel toe. Daarmee kwalificeert de gehele woning voor belanghebbende in 2016 als eigen woning in de zin van artikel 3.111 van de Wet IB.

Hypotheekrenteaftrek

5.4.Op grond van artikel 3.119a, eerste lid, van de Wet IB wordt onder eigenwoningschuld sinds 1 januari 2013 verstaan het gezamenlijke bedrag van de schulden van de belastingplichtige:

a. die zijn aangegaan in verband met een eigen woning;

b. ter zake waarvan een contractuele verplichting geldt tot het gedurende de looptijd ten minste annuïtair en in ten hoogste 360 maanden volledig aflossen overeenkomstig artikel 3.119c;

c. ter zake waarvan aan de verplichting tot aflossing wordt voldaan (aflossingseis), en

d. ter zake waarvan, ingeval artikel 3.119g van toepassing is, aan de verplichting tot informatieverstrekking, bedoeld in dat artikel, wordt voldaan.

5.5.Indien aan deze voorwaarden wordt voldaan, kwalificeert de ter verwerving van een eigen woning aangegane schuld als eigenwoningschuld en is de daarover betaalde rente in beginsel aftrekbaar in box 1. De voornoemde aflossingseis geldt niet voor op 1 januari 2013 reeds bestaande eigenwoningschulden. Op de reeds voor 1 januari 2013 bestaande eigenwoningschulden behoeft niet te worden afgelost om de betaalde rente in mindering te mogen brengen op het belastbaar inkomen uit werk en woning.

5.6.1.De gehele hypotheekschuld ultimo 2016 betreft een aflossingsvrije hypotheek. Niet in geschil is dat in ieder geval de helft van de hypotheekschuld van € 242.717 voor belanghebbende in 2016 als eigenwoningschuld kwalificeert. Deze eigenwoningschuld dateert van voor 1 januari 2013 en behoeft niet te voldoen aan de aflossingseis van artikel 3.119a van de Wet IB. De door belanghebbende geclaimde renteaftrek in box 1 omtrent dit deel van de schuld staat – terecht – niet ter discussie.

5.6.2.Belanghebbende heeft in het jaar 2016 niet enkel de in 2016 verschuldigde hypotheekrente over het voornoemde deel van de hypotheekschuld betaald, maar heeft tevens de in 2016 verschuldigde hypotheekrente over de resterende deel van de hypotheekschuld voldaan (zijnde het deel van de hypotheekschuld dat op basis van het huwelijksvermogensrecht in 2016 toekwam aan haar ex-partner). De vraag die partijen verdeeld houdt, is of dit deel van de hypotheekschuld voor belanghebbende in het onderhavige jaar tevens kwalificeert als eigenwoningschuld en in het verlengde daarvan, of de hierover in 2016 verschuldigde en betaalde hypotheekrente in 2016 ten laste van het inkomen uit werk en woning mag worden gebracht.

5.6.3.Vaststaat dat belanghebbende en haar ex-partner geen alimentatieverplichting/onderhoudsverplichting jegens elkaar overeen zijn gekomen. Voorts staat vast dat belanghebbende op 1 januari 2014 het 50%-belang van de ex-partner in het economisch eigendom van de woning heeft verworven. Op basis van de overeenkomst tussen belanghebbende en haar ex-partner kwam het daarop ziende deel van de hypotheekschuld en de daarover verschuldigde hypotheekrente met ingang van 1 januari 2014 ten laste van het vermogen van belanghebbende. Dit heeft tot gevolg dat aan belanghebbende met ingang van 1 januari 2014 een (voor haar nieuwe) schuld kan worden toegerekend ter verwerving van het aandeel van haar ex-partner in het economisch eigendom van de woning. Nu deze schuld bij belanghebbende is opgekomen na 1 januari 2013, dient aan de in artikel 3.119a van de Wet IB opgenomen aflossingseis te worden voldaan om de schuld te kwalificeren als een eigenwoningschuld als bedoeld in voornoemd artikel.

5.6.4.Niet in geschil is dat de schuld die ziet op de verwerving van voornoemd aandeel niet voldoet aan de aflossingseis nu de formaliteiten ter zake van het wijzigen van de hypotheek (zijnde het door de hypotheekverstrekker overzetten van de gehele hypotheek op naam van belanghebbende, het ontslaan van de ex-partner uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid en het wijzigen van het tot voorheen aan de ex-partner van belanghebbende toekomende deel van de hypotheekschuld van de aflossingsvrije vorm in een in 360 maanden annuïtair af te lossen hypotheek) pas in januari 2017 hebben plaatsgevonden. Ondanks het feit dat, zoals belanghebbende ter zitting heeft verklaard, zij door toedoen van haar ex-partner, de hypotheekverstrekker en de Rechtbank aangaande de beschikking omtrent de echtscheiding en verdeling, niet eerder bij machte (hoewel wel bij wille) was de hypotheek, wat het nieuw aan haar toe te kennen deel van de schuld betreft, te wijzigen in lijn met de wettelijke voorschriften als opgenomen in artikel 3.119c van de Wet IB, is het Hof op basis van de voornoemde feiten van oordeel dat de schuld aangaande de verwerving van het aandeel van de ex-partner in 2016 niet kwalificeert als eigenwoningschuld als bedoeld in voornoemd artikel. Wat dit deel van de hypotheekschuld betreft is immers niet voldaan aan de aldaar opgenomen wettelijke vereisten. Als gevolg daarvan kwalificeert de in 2016 betaalde hypotheekrente over dit deel van de schuld niet als aftrekbare rente van schulden die behoren tot de eigenwoningschuld, als bedoeld in artikel 3.120 van de Wet IB. De schuld dient op basis van artikel 5.3 van de Wet IB in 2016 te worden verantwoord als box 3-schuld.

Slotsom

5.7.1.Het hoger beroep van de Inspecteur is gegrond.

5.7.2.Nu de Inspecteur bij het opleggen van de aanslag wat de eigen woning als bedoeld in artikel 3.111 van de Wet IB betreft voor belanghebbende is uitgegaan van een belang van 50% in de woning en de overige 50%, alsmede de daarmee samenhangende hypotheek, niet aan belanghebbende heeft toegerekend, corrigeert het Hof de aanslag als volgt, nu dit tot een lagere aanslag leidt:

– Het eigenwoningforfait bedroeg in de aanslag € 397.000 * 0,75% * 50%, zijnde € 1.488. Het Hof stelt het eigenwoningforfait vast op € 397.000 * 0,75% * 100%, zijnde € 2.977. Het belastbaar inkomen uit werk en woning wordt derhalve met een bedrag van € 1.489 vermeerderd;

– Het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen bedroeg in de aanslag € 2.840. Het Hof stelt het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen vast op nihil.

Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslissing

Het Gerechtshof:

– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,

– vernietigt de uitspraak op bezwaar,

– vermindert de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 18.195 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van nihil, en,

– vermindert de beschikking belastingrente dienovereenkomstig.

Deze uitspraak is vastgesteld door H.A.J. Kroon, E.M. Vrouwenvelder en S.K.A. Efstratiades, in tegenwoordigheid van de griffier J. de Vormer. De beslissing is op 17 december 2019 in het openbaar uitgesproken.